'Hij wil' of 'hij wilt'? Zo vervoeg je 'willen' in 2026 zonder fouten

'Hij wil' of 'hij wilt'? Zo vervoeg je 'willen' in 2026 zonder fouten

Het korte antwoord: 'hij wil' is de juiste vorm, zonder t. 'Hij wilt' klinkt voor veel mensen logisch, omdat werkwoorden in de derde persoon enkelvoud bijna altijd een t krijgen: hij loopt, hij werkt, hij fietst. Maar 'willen' hoort tot een klein groepje onregelmatige werkwoorden dat zich niets van die regel aantrekt. In dit artikel leggen we uit hoe het zit, waarom de fout zo hardnekkig is en hoe je hem in 2026 definitief uit je teksten bant.

De hoofdregel: hij, zij en het willen geen t

De correcte vervoeging van 'willen' in de tegenwoordige tijd is: ik wil, jij wilt, hij/zij/het wil, wij willen. De derde persoon enkelvoud krijgt dus geen t, in tegenstelling tot vrijwel elk ander werkwoord. Voorbeelden: "Hij wil morgen langskomen", "Zij wil journalist worden", "Het bestuur wil de plannen uitstellen". Merk op dat 'jij wilt' wél een t heeft, net als bij gewone werkwoorden: "Wat wil jij eten?" wordt weer zonder t, omdat 'jij' achter het werkwoord staat.

Waarom 'willen' zich anders gedraagt

'Willen' hoort bij de zogeheten preterito-presentia, een historisch groepje werkwoorden waartoe ook 'kunnen', 'zullen', 'mogen' en 'moeten' behoren. Bij die werkwoorden zie je hetzelfde patroon: hij kan (niet: hij kant), hij zal, hij mag. De vormen van de tegenwoordige tijd zijn eigenlijk oude verleden tijden, en verleden tijden krijgen in het Nederlands nooit een t in de derde persoon. Vergelijk: hij liep, hij werkte. Dat verklaart waarom 'hij wil' zonder t gaat.

Het ezelsbruggetje in één zin

Twijfel je? Vervang 'willen' even door 'kunnen'. Niemand schrijft 'hij kunt' of 'hij kant', dus schrijf je ook niet 'hij wilt'. Werkt de zin met 'hij kan', dan is het 'hij wil'.

Waarom de fout zo vaak voorkomt

In spreektaal is 'hij wilt' in delen van Nederland en Vlaanderen heel gewoon, vooral in informele gesprekken. Wat je dagelijks hoort, ga je vanzelf normaal vinden, en via appjes en social media sijpelt de gesproken vorm de schrijftaal in. Daar komt bij dat de regelmaat van 'hij loopt' en 'hij maakt' zo sterk in ons taalgevoel zit, dat de t er bijna automatisch bij wordt getikt. Autocorrectie grijpt lang niet altijd in, want 'wilt' is op zichzelf een bestaand woord.

Zo test je jezelf

Kies in deze vijf zinnen de juiste vorm: "Mijn broer ... een nieuwe telefoon", "... jij nog koffie?", "De redactie ... het artikel vandaag publiceren", "Wat ... u precies bereiken?", "Hij ... niet toegeven dat hij fout zat". De antwoorden: wil, wil (jij achter het werkwoord), wil, wilt (u krijgt een t bij 'willen', al mag 'wil' ook), wil. Vooral die derde zin gaat vaak mis, omdat 'de redactie' als één persoon voelt.

Kortom: schrijf altijd 'hij wil', zonder t, en gebruik het vervangingstrucje met 'kunnen' als je twijfelt. Wie dit ene rijtje onthoudt (ik wil, jij wilt, hij wil) maakt deze klassieker nooit meer.